Fonds Medische Ongevallen – Quo Vadis? (Wannes Buelens)

Wannes Buelens, zopas uitgeroepen tot winnaar van de prestigieuze prijs André Prims, gaat in op de trage werking van het Fonds voor Medische Ongevallen en suggereert een oplossing.

Eind 2018 stond het Fonds voor Medische Ongevallen (FMO) weer volop in de (negatieve) belangstelling, met als belangrijkste verwijt dat het er niet in slaagt om te adviseren binnen de (utopische) wettelijk voorziene termijn van zes maanden. Volgens bepaalde media zouden ziekenfondsen patiënten zelfs aanraden om naar de rechtbank te trekken in plaats van een beroep te doen op het FMO.

Oorzaken traagheid

De traagheid van het FMO heeft enerzijds te maken met enkele organisatorische problemen (bijv. ICT, aanwerving van personeel, aanstelling van experts). Anderzijds kampt het fonds ook met een historische achterstand. Het FMO is bevoegd voor schadeverwekkende feiten die zich hebben voorgedaan vanaf 2 april 2010, maar kon maar van start gaan op 1 september 2012. Men was destijds immers bezig met een (geslaagde) wereldrecordpoging regeringsvormen, waardoor het uitvoeringsbesluit tot oprichting van het FMO lang op zich liet wachten.

Los daarvan is het logisch dat een nieuw systeem kinderziektes vertoont, en het enige tijd vergt om de juiste evenwichten te vinden.

De wet bevat echter ook een belangrijk ‘systemisch’ onevenwicht. De belangrijkste vergoedingsvoorwaarde waarvoor het FMO moet tussenkomen doet zich voor als het heeft geadviseerd dat de zorgverlener aansprakelijk is, maar (de aansprakelijkheidsverzekeraar van) de zorgverlener dat betwist. Het FMO komt in dat geval enkel tussen als de schade die de patiënt leed, valt onder één van de vier ernstcriteria: overlijden, een blijvende invaliditeit van minstens 25%, een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van zes maanden in een periode van maximaal één jaar of een bijzonder zware verstoring van de levensomstandigheden.

Uit de jaarverslagen van het FMO is af te leiden dat zo meer dan de helft van de patiënten alsnog naar de rechtbank moet voor een schadevergoeding van de zorgverlener, terwijl het fonds meent dat de zorgverlener aansprakelijk is. Dat maakt niet enkel dat de patiënt (nog) langer moet wachten op een schadevergoeding – na reeds (gemiddeld) twee à drie jaar te hebben gewacht op een advies van het fonds, moet hij immers alsnog een gerechtelijke procedure door – maar ook dat het aantal gerechtelijke procedures toeneemt.

Oplossing: artsen én patiënten laten bijdragen

Om in de toekomst niet nog meer patiënten teleur te stellen, is het mijns inziens noodzakelijk dat het FMO kan tussenkomen ongeacht de ernst van de schade als het oordeelt dat de zorgverlener aansprakelijk is, maar de verzekeraar van laatstgenoemde dat betwist.

Men zou echter nog een stap verder kunnen zetten, en evolueren naar een werkelijk no-fault-vergoedingssysteem, zoals bijvoorbeeld in de Scandinavische landen en Nieuw-Zeeland. Deze landen kozen ervoor om de aansprakelijkheid van de zorgverlener niet meer te beoordelen als de patiënt tracht een schadevergoeding te bekomen via het aldaar geldende buitengerechtelijk vergoedingssysteem. De vergoedingsvoorwaarden zijn vergelijkbaar met de al bestaande om te oordelen of er sprake is van een medisch ongeval zonder aansprakelijkheid (MOZA).

Wanneer de aansprakelijkheid van de zorgverlener niet meer moet worden beoordeeld, is er meer ruimte voor openheid vanwege de zorgverlener naar de patiënt. Deze grotere openheid, in combinatie met het feit dat geen discussies meer nodig is omtrent de aansprakelijkheid, kan ertoe leiden dat de alternatieve vergoedingsprocedure daadwerkelijk sneller verloopt dan een gerechtelijke procedure.

Dit hoeft trouwens niet noodzakelijk te leiden tot een uitgavenstijging van de sociale zekerheid. Enerzijds kan men ervoor opteren om de kosten hiervan (gedeeltelijk) ten laste van de zorgverleners te leggen door hen te verplichten hieraan bij te dragen. Anderzijds is het gerechtvaardigd om, bij wijze van ‘trade of’ omwille van de snellere procedure, de schadevergoeding van de patiënt te beperken tot een bepaald percentage van de geleden schade.

Dergelijk ‘public private partnership’ ten voordele van de ‘witte vrede’ zou trouwens niet nieuw zijn in België. Men denkt bijv. aan de regeling voor arbeidsongevallen en beroepsziektes die, algemeen gesproken, naar behoren functioneert.

Wannes Buelens, Advocaat Loyens & Loeff, Academisch medewerker Universiteit Antwerpen

U wil op dit artikel reageren ?

Toegang tot alle functionaliteiten is gereserveerd voor professionele zorgverleners.

Indien u een professionele zorgverlener bent, dient u zich aan te melden of u gratis te registreren om volledige toegang te krijgen tot deze inhoud.
Bent u journalist of wenst u ons te informeren, schrijf ons dan op redactie@rmnet.be.