In een recente enquête van de Union des médecins - Absym-Bruxelles werden 338 aangesloten artsen bevraagd over hun conventioneringsstatus: 10,7% van hen geeft aan gedeeltelijk geconventioneerd te zijn. Op nationaal niveau daalt dat percentage volgens recent bekendgemaakte RIZIV-cijfers tot 2,93% (0,44% bij huisartsen en ongeveer 6% bij specialisten).
Volgens Gilbert Bejjani, voorzitter van de Union des médecins, blijft dit hybride statuut, dat bedoeld was om bepaalde ziekenhuisartsen de mogelijkheid te bieden in een openbaar of universitair ziekenhuis de conventietarieven te hanteren en tegelijk vrij te werken in hun privépraktijk, “marginaal”. Nu een globale hertekening van de conventionering voor de deur staat, vindt hij dat het statuut moet worden herbekeken.
De enquête bij de leden van de artsenvakbond schetst een duidelijk beeld: 21% is geconventioneerd, 68,3% niet-geconventioneerd en 10,7% gedeeltelijk geconventioneerd. In Brussel ligt het aandeel gedeeltelijk geconventioneerde artsen dus bijna vier keer hoger dan het nationale gemiddelde. Toch “blijft het een marginaal statuut”, relativeert Gilbert Bejjani. In de praktijk gaat het volgens hem slechts om een handvol specialisten, voornamelijk artsen die hun activiteit verdelen tussen een openbaar of universitair ziekenhuis en een privépraktijk.
Gedeeltelijke conventionering als kenmerk van een gemengde praktijk
Achter het nationale gemiddelde gaan aanzienlijke verschillen tussen de disciplines schuil. Uit de RIZIV-cijfers per specialisme blijkt dat gedeeltelijke conventionering het vaakst voorkomt in de gynaecologie-verloskunde (21,79%), orthopedie (20,23%), urologie (18,47%), dermato-venereologie (16,73%), NKO (16,67%) en oogheelkunde (15,58%). Het gaat stuk voor stuk om disciplines waarin naast de ziekenhuisactiviteit ook consultaties in een privépraktijk mogelijk zijn.
Daartegenover staat dat het percentage vrijwel nul bedraagt bij artsen van wie de activiteit structureel verbonden is aan een medisch-technisch platform of aan de eerste lijn: klinische biologie (0,16%), anatomopathologie (0,23%), huisartsgeneeskunde (0,44%), anesthesie-reanimatie (0,85%) en spoedgeneeskunde (0,91%). De gedeeltelijke conventionering is dus niet willekeurig verdeeld: ze volgt de scheidslijn tussen specialismen waar een gemengde praktijk mogelijk is en specialismen waar dat niet het geval is.
Het argument dat het bestaan van de gedeeltelijke conventionering rechtvaardigt – een ziekenhuisarts de mogelijkheid bieden in het ziekenhuis het conventietarief te hanteren en tegelijk vrij te werken in de eigen praktijk – houdt volgens dr. Bejjani niet langer stand. “Mensen kiezen voor gedeeltelijke conventionering om ambulant te kunnen werken”, analyseert hij, “alsof je de ambulante praktijk en de ziekenhuispraktijk waterdicht van elkaar zou kunnen scheiden.” De veronderstelde scheiding tussen beide onderdelen van de activiteit is volgens hem eerder een administratieve constructie dan een grens die in de praktijk werkelijk houdbaar is.
“De verplichting en het kader herbekijken”
Gilbert Bejjani pleit ervoor het statuut af te schaffen of volledig te herdenken. “Het is tijd om de verplichting tot conventionering of het kader ervan te herbekijken, onder meer om een billijke toegankelijkheid van elk specialisme te garanderen, waarbij ook de regels voor die toegankelijkheid opnieuw moeten worden bekeken. Er zou een minimale waardering moeten komen om per specialisme een verplichte toegankelijkheid te garanderen, bijvoorbeeld door de beschikbaarheid in het ziekenhuis voor niet-geplande zorg opnieuw te financieren, eventueel gecombineerd met meer vrijheid voor het statuut van de geconventioneerde arts. Die zou buiten bepaalde uren vrij kunnen werken, zoals bij een 38-urenweek”, stelt hij.
Een van de pistes is dus een conventionering die wordt afgebakend op basis van een maximaal aantal uren. Het voorstel past binnen de bredere en herhaalde vraag van de Union des médecins naar een hervorming van de nomenclatuur die expliciet rekening houdt met de waarde van het medische werk, het aandeel van de beroepskosten en het werkingsbudget van de ziekenhuizen.
Zonder die fundamentele hervorming zeggen de cijfers over de conventioneringsgraad – gedeeltelijk, volledig of niet – volgens Gilbert Bejjani “absoluut niets over de tariefrealiteit op het terrein en leiden ze tot begrijpelijke maar vermijdbare corporatistische reacties. Het statuut van de conventionering en de regels ervan hervormen om de toegankelijkheid te verbeteren, zal ook een tastbaar element zijn om situaties te verdedigen waarin de aanrekening van ‘supplementen’ mogelijk blijft, waarschijnlijk tot 300%, wat niet meer dan normaal zou zijn gezien de beperkte zuivere erelonen en de zeer ruime bescherming van het aanbod tegen conventietarief voor veel patiënten.”









Laatste reacties
Ann Loffens
28 augustus 2026Vrije keuze:
Dat artsen ervoor kiezen om de conventietarieven slechts gedeeltelijk toe te passen, is een vrije keuze die zowel de patiënt als de arts toekomt. Zolang de patiënt vooraf duidelijk wordt geïnformeerd over de status en de locaties van de gedeeltelijk geconventioneerde arts, behoudt iedereen zijn autonomie. Het snoeien in deze combinatiemogelijkheid zou mijn onze democratie niet ten goede komen.
Financiële transparantie:
In reguliere ziekenhuizen ervaren artsen vaak een enorme tijdsdruk. Bovendien ligt het afdracht percentage van het ereloon van artsen - voornamelijk in privé klinieken- dikwijls een pak hoger dan in overheidsklinieken.
Privé consultatie biedt meer kwantiteit, wat tenslotte kwaliteit ten goede komt.
Welzijn van de patiënt:
Tot slot mogen we de patiënt niet uit het oog verliezen. Privé consultaties bieden in de praktijk vaak meer diepgang en een persoonlijke aanpak. Verschillende mensen kampen met een ziekenhuisaversie en voelen zich niet comfortabel in een grootschalige ziekenhuisomgeving. Voor deze groep patiënten blijft een rustig en kleinschaliger consult (losgekoppeld van ziekenhuizen) een absolute meerwaarde.
Gezonde groet!
Rudy VAN DRIESSCHE
24 augustus 2026De vermelding 38-urenweek is totaal ongepast en gevaarlijk.