Het publieke debat over managementvennootschappen is sterk toegenomen, vaak met verwijzingen naar misbruik of fiscale optimalisatie. Nog voor het begrotingsakkoord de roerende voorheffing van 15 naar 18% verhoogde, bleek uit een parlementaire vraag van Vincent Vanquickenborne (Open VLD) aan minister van Financiën Jan Jambon (N-VA) dat dit debat vooral op drijfzand rust.
Er bestaat immers een opmerkelijk gebrek aan formele gegevens en definities over managementvennootschappen. Dat althans leidt het liberale parlementslid af uit het antwoord van minister Jambon. De volksvertegenwoordiger vroeg de minister naar het aantal, de spreiding, de fiscale behandeling, de wettelijke basis, controles en opbrengsten van managementvennootschappen. Vreemd genoeg bestaat er in de fiscale wetgeving geen wettelijke definitie of zijn er geen specifieke statistieken voorhanden over het begrip “managementvennootschap”. Over hun aantal of spreiding is immers niets bekend.
Minister Jambon duidt wel dat ‘in strikte zin met het begrip “managementvennootschap” een vennootschap aangeduid wordt die een bestuursfunctie opneemt binnen een andere vennootschap. Maar die definitie heeft geen fiscale impact. “De fiscale wetgeving bevat weinig maatregelen die voor dergelijke vennootschappen afwijken van de algemene fiscale regels van de inkomstenbelastingen.” Alleen voor investeringsaftrekken bij startende/groeiende ondernemingen bestaan uitsluitingen voor vennootschappen die hoofdzakelijk managementovereenkomsten sluiten, luidt het nog.
Over omzet, winst of dividendpraktijken of -meer nog- de effectieve fiscale druk is niets bekend. Evenmin over het aantal controles of opbrengsten daarvan.
“Kortom: beleidsmatig en maatschappelijk wordt er intens gedebatteerd over een vennootschapsvorm waarover de overheid geen harde cijfers bezit”, analyseert Vincent Van Quickenborne.
Managementvennootschap in het publieke debat
In de praktijk wordt managementvennootschap gebruikt om situaties te beschrijven waarin een natuurlijke persoon zijn activiteiten (zoals consultant, arts, zorgmanager, IT’er, werknemer met expertise) onderbrengt in een vennootschap. “Door tussenplaatsing van die vennootschap wordt de belastingplichtige niet langer als natuurlijke persoon belast op de inkomsten uit die economische activiteit (bezoldigingen van werknemers, winst of baten)”, licht minister Jambon toe. “De inkomsten van deze economische activiteit worden belast in de vennootschapsbelasting als winst in hoofde van de vennootschap. De natuurlijke persoon wordt op zijn beurt in de personenbelasting belast op de inkomsten die de vennootschap aan hem toekent, hetzij als bedrijfsleidersbezoldiging (vanuit zijn rol als bedrijfsleider), hetzij als dividend (vanuit zijn rol als aandeelhouder).”
Met andere woorden: de activiteit blijft economisch dezelfde, maar de belastingheffing verschuift:
- inkomsten worden belast in de vennootschap (vennootschapsbelasting)
- de persoon wordt belast op bedrijfsleidersbezoldiging of dividenden
Uit het antwoord van de minister blijkt dat ook voor deze structureringen geen specifieke fiscale regels bestaan en geen onderscheid met andere vennootschappen.
En dus volgen managementvennootschappen de normale fiscale regels. Tot nu toe betekent dat dat een vennootschapsbelasting geldt van 25%, en van 20% voor kleine vennootschappen op de eerste 100.000 euro winst (onder voorwaarden).
Voor de bezoldiging van de bedrijfsleider, casu quo aandeelhouder zijn progressieve tarieven van toepassing in de personenbelasting. Op de belaste winst, uitgekeerd in de vorm van een divident, geldt dan weer standaard 30% roerende voorheffing.
Fiscale gunstregimes
Wel zijn hier fiscale gunstregimes van toepassing in de vorm van VVPRbis die een verlaagde roerende voorheffing inhoudt van 15% tot nu toe na een zekere wachttijd, of een uitkering uit de liquidatiereserve (10% in de vennootschapsbelasting bij aanleg van de reserve) en verlaagde roerende voorheffing van 6,5 % (0% bij stopzetting van de vennootschap).
In de buurlanden bestaat evenmin een heldere of uniforme definitie. De Hoge Raad van Financiën stelde eerder enkel vergelijkingen op van belastingdruk per ondernemingsvorm, zonder specifieke categorie voor managementvennootschappen.
Belangrijkste besluit: er bestaat dus geen afzonderlijk statuut voor managementvennootschappen. Fiscale optimalisatie via vennootschappen valt onder de gewone, wettelijk voorziene regels. Bijgevolg vertrekken beleidsvoorstellen die structurele wijzigingen aankondigen, momenteel vanuit veronderstellingen, niet vanuit data.
Voor Vincent Vanquickenborne ligt het dan ook voor de hand dat, wie het debat ernstig wil voeren, nood heeft aan heldere definities, objectieve cijfers en een feitelijke benadering, niet aan karikaturen. Dat geldt a fortiori voor sectoren zoals de gezondheidszorg waar vennootschappen veel gebruikt worden.








