Lieselot Brepoels, voorzitter specialistenvleugel ASGB, toont zich na de eerste kritiek op het nieuwe wetsontwerp Kaderwet ook wel voorzichtig positief over de passage die te maken heeft met de werking van de rechtbank/kamers van de Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle (DGEC). Die boodschap postte ze gisterennamiddag alsnog op sociale media. Hoezo?
Vandaag buigt het Verzekeringscomité zich over de Kaderwet. Zeker fraudebestrijding en de mogelijke intrekking van het Rizivnummer voor aangeklaagde artsen, liggen erg gevoelig. Maar met de bijsturing van het stukje wetsontwerp ter zake, die nu op tafel ligt, is dr. Brepoels bij nader inzien eigenlijk best wel tevreden, al houdt ze een slag om de arm: “Even wachten op de uitwerking op het terrein, (de uitvoeringsbesluiten, redactie). Maar volgens mijn persoonlijke mening is het verloop via de rechtbank/kamers van de DGEC echt wel een goede stap in de bescherming van de bonafide artsen. We laten het door onze juristen nog uitpluizen.”
Het gaat om deze passage, de laatste tot nu toe die bij ons bekend is: “De Kamers van eerste aanleg en de Kamers van beroep kunnen, op vraag van de Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle, een opschorting van het Rizivnummer opleggen als alternatief op de administratieve geldboete voor de inbreuken voorzien in artikel 73 bis, 1° tot en met 4, wanneer de waarde van de betwiste verstrekkingen hoger is dan 35.000 euro. De opschorting kan opgelegd worden voor minimum een maand en maximum twee jaar.”
"De datum waarop de opschorting ingaat en de duur er van, worden gespecifieerd in de uitgesproken beslissing. De zorgverleners mogen prestaties waarvan de prestatiedatum binnen de periode van opschorting valt niet aanrekenen of attesteren binnen de verzekering geneeskundige verzorging, ook niet na de periode van opschorting."
De bewuste artikels betreffen de juridische basis om inbreuken door zorgverleners op de reglementering (nomenclatuur, attesten) vast te stellen en te bestraffen.
Dokter Brepoels, die zelf deel uitmaakt van die Kamers, ziet dat als een positieve evolutie. Ze legt uit dat de DGEC weliswaar afhangt van het Riziv, maar de Kamers niet: die zitten in een juridische structuur onder voorzitterschap van een magistraat. Die magistraat laat zich daar dus ook bijstaan door afgevaardigden van onder meer de beroepsorganisaties, iets wat bij artsen niet zo goed bekend is. “Op die manier behouden ze de voeling met het veld”, legt ze uit. De Kamer van beroep bij de DGEC is dus een onafhankelijk administratief rechtscollege dat uitspraak doet met volle rechtsmacht, ingesteld bij de dienst maar ze vormt er geen onderdeel van.
Volgens haar is die insteek belangrijker dan zich toe te spitsen op het gemelde bedrag van 35.000 euro.
Het neemt niet weg dat ook zij kritisch blijft staan tegenover de nieuwe tekst die volgens het Kartel te weinig onderscheid maakt tussen fraude, fouten en betwistingen. Maar in de Kamers van beroep kunnen net daar de afgevaardigde artsen een belangrijke rol spelen in overleg met de betrokken magistraat.
> Kartel blijft bezorgd over Kadeerwet: "Moeten straks alle artsen aan de enkelband?"








