Namens het bestuur van de BSAR-APSAR, de beroepsvereniging van de anesthesisten, reageert voorzitter Stef Carlier met enige verwondering op de “ongenuanceerde stelling van de voorzitter van de FMS, Prof. Politis, dat anesthesie het leeuwenaandeel van alle ereloonsupplementen int.”
“Hier dienen toch enkele kanttekeningen gemaakt te worden, die een ietwat ander licht op deze stelling laten schijnen", meldt dr. Carlier. En hij somt de volgende punten op:
- "De cijfers die door het IMA zijn vrijgegeven, zijn absolute bedragen per discipline. Dat geeft een zwaar vertekend beeld aangezien er veruit het meeste anesthesisten zijn. Een gemiddeld cijfer per actief arts zou al een veel correcter beeld geven en het verschil met orthopedie, gynecologie en chirurgie uitvlakken. Het ware intellectueel eerlijker geweest om dat erbij te vermelden."
- "De cijfers die door het IMA vrijgegeven zijn, zijn enkel vrij correct voor anesthesie (vermoedelijk toch), vermits er bij anesthesie een volledige centrale inning bestaat en dus het inkomen van anesthesie volledig gekend is. Bij de andere disciplines zijn de supplementen die op de extramurale consultatie geïnd worden, niet in de tabel van het IMA opgenomen (noch voor de consultatie zelf, noch voor de eventuele technische prestaties daar), en dus zijn de door het IMA vrijgegeven cijfers voor de andere disciplines onvolledig en dus niet correct."
- "De supplementen van anesthesie dienen inderdaad voor een deel om de deficieten van de ziekenhuisexploitatie te helpen opvangen, en daarnaast gaat een gedeelte naar de artsensolidariteit, onder andere om de consultatiekost van andere disciplines binnen het ziekenhuis te helpen betalen. Verder vloeit ook een gedeelte naar anesthesie zelf, en dat is absoluut nodig om de structurele onderfinanciering van anesthesie te corrigeren, onderfinanciering die dateert uit de tijd dat simultane anesthesie in 2 of 3 zalen schering en inslag was. Maar simultane anesthesie is verdwenen onder druk van onze eigen veiligheidsregels. Het blijft evenwel nog altijd zo dat de erelonen van anesthesie slechts een fractie bedragen -gemiddeld variërend van 30 tot 60%, met uitschieters bij narcodontie van 10%- van de erelonen van de interventionalist (chirurg of andere interventionalist).
"Tot slot moet ik vermelden dat de beroepsvereniging anesthesie (1.283 leden, met afstand de grootste beroepsvereniging) sinds begin 2025 geen lid meer is van de FMS, voorheen het VBS.”
Ambulante sector
Gilbert Bejjani, secretaris BSAR-APSAR, is van zijn kant niet verbaasd over het citaat van dr. Politis waar het de supplementen en de anesthesisten en de geconventioneerde artsen betreft. “Misschien komt deze aanval er omdat anesthesisten -net als dermatologen en NKO-artsen- de FMS (ex-VBS) verlieten”, veronderstelt hij.
“Moeten we eraan herinneren dat anesthesie bij alle operaties wordt toegepast en dat, in vergelijking met het totale supplementenbedrag in de chirurgie, het aandeel ervan gelijk blijft aan dat van de honoraria in de nomenclatuur en dus lager is dan dat van chirurgen? Bovendien hebben anesthesisten, net als spoedartsen en intensivisten, niet echt toegang tot de ambulante sector, waar alleen de toeslagen voor VT's beperkt zijn. Dat maakt het ook mogelijk om de zaken te relativeren.”
Hij suggereert nog dat de FMS-leden kunnen proberen om het supplementenvolume in de ambulante sector te schatten, “aangezien in deze sector de meeste huisartsen geconventioneerd zijn en er geen studies over bestaan in deze sector.”
> "Geconventioneerde artsen verwerven meeste supplementen" (Prof. Politis)









Laatste reacties
Bruno Vandekerckhove
29 januari 2026Men kan specialisten en hun disciplines qua organisatie van de praktijk niet met elkaar vergelijken en elk specialisme zal zijn redenen hebben voor het al dan niet aanrekenen van de zgn supplementen ism het beheer. Jaloezieën tussen disciplines kunnen we missen als kiespijn en versterken het negatieve imago van onze beroepsgroep.
Dirk HIMPE
27 januari 2026Volledig akkoord met deze stellingname !
De manier waarop de gebrachte analyse van ereloonsupplementen door het IMA wordt gebracht, kan aanleiding geven tot foutief lineair denken. Dit leidt gemakshalve tot het gauw vinden van zondebokken met de nodige framing. Spijtig genoeg lost dit niets op van de fundamentele, onderliggende, maar vooral complexe en multifactoriële problematiek.
Dat anesthesisten, het zogenaamde leeuwenaandeel innen, zal allicht juist zijn. Betekent helemaal niet dat ze die supplementen zomaar opstrijken en meenemen in hun ‘take-home-bag’. Anesthesisten zijn wel de grootste groep van specialisten (circa 10%). Mocht men de genoemde bedragen nu eens uitrekenen per zorgverstrekker, dan wordt het plaatje al veel genuanceerder. Bovendien zijn anesthesisten in de regel exclusief actief in het ziekenhuis. Ze verzorgen er een 24/7 service voor vele andere disciplines, dewelke voor hun behandelingen op één of andere vorm van professionele anesthesie beroep doen.
Alhoewel anesthesisten in het nog steeds vigerende financieringssysteem een ‘vrij’ ereloon zouden hebben, wordt dit in de meeste ziekenhuizen aardig afgeroomd voor materiaal- en personeelskosten, die in veel gevallen eigenlijk dienen gefinancierd door het BFM.
Daarbovenop komt in de meeste ziekenhuizen, via de algemene regeling, een extra heffing voor allerlei solidariteits- & investeringsfondsen. Vermits numeriek anesthesisten behoren tot de grootste ziekenhuisdiensten, zijn ze de facto vaak één van de hoofdsponsors van die fondsen. Collega’s van andere disciplines, die in meerdere ziekenhuizen werken of inkomen verwerven via extra-muros activiteiten, zoals o.a. consultaties, ontsnappen soms voor een stuk aan die heffingen, mede eveneens door de meestal progressieve inningsschalen ervan.
Tenslotte is de hoogte van het percentage voor honorariumsupplementen altijd resultaat van een paritair akkoord tussen ziekenhuisbeheerder en medische raad – het initiatief ertoe kan trouwens van beide partijen komen, en dus niet noodzakelijk van de artsen.