Op 1 januari 2026 treden verschillende hervormingen in werking op het vlak van gezondheidszorg, geneesmiddelen, financiële bescherming van patiënten en terugkeer naar het werk. Deze maatregelen zijn bedoeld om de toegankelijkheid van de zorg te verbeteren, de actoren in het gezondheidszorgsysteem meer verantwoordelijkheid te geven en verzuim en langdurige arbeidsongeschiktheid tegen te gaan.
De bijdrage van de ziekteverzekering voor bepaalde geneesmiddelen die in het ziekenhuis worden verstrekt, daalt van 85% naar 78%. Ziekenhuizen zullen voortaan 22% van de kosten van deze geneesmiddelen zelf moeten financieren, tegenover 15% nu.
De maatregel heeft betrekking op geneesmiddelen die onder het referentievergoedingssysteem vallen en waarvoor een generiek of biosimilar alternatief bestaat, alsook op contrastmiddelen die bij medische onderzoeken worden gebruikt. Het referentievergoedingssysteem blijft van toepassing en in principe verandert het eigen risico dat de patiënt betaalt niet.
Dankzij dit mechanisme kan het Riziv een deel van de kortingen terugvorderen die door groothandelaars en farmaceutische bedrijven aan ziekenhuizen worden toegekend.
Geneesmiddelen in de apotheek: minimale eigen bijdrage omhoog
Vanaf 1 januari 2026 bedraagt de minimale eigen bijdrage voor geneesmiddelen die in de apotheek worden afgeleverd één euro per doos voor begunstigden van de verhoogde tegemoetkoming en twee euro per verpakking voor andere patiënten. Als de eigen bijdrage al hoger was dan deze bedragen, blijft deze ongewijzigd.
De maatregel heeft alleen betrekking op geneesmiddelen die in de apotheek worden verstrekt en is niet van toepassing op ziekenhuisgeneesmiddelen. De vrijgemaakte middelen moeten met name worden gebruikt om een snellere toegang tot innovatieve therapieën te financieren. De farmaceutische sector blijft bijdragen via de handhaving van de omzetbijdrage en een bijdrage voor marketing.
Aanpassing van de terugbetaling van PPI's en statines
De terugbetaling van protonpompremmers (PPI's) en statines wordt vanaf 1 januari 2026 aangepast. Volgens het kabinet van de federale minister van Volksgezondheid, Frank Vandenbroucke, heeft deze maatregel tot doel het gebruik van bepaalde geneesmiddelen beter te reguleren en overmatig gebruik te beperken, aangezien ongeveer een op de vijf Belgen PPI's gebruikt, soms voor comfortdoeleinden. PPI's blijven alleen volledig terugbetaald voor ernstige en duidelijk omschreven indicaties, zoals het Barrett-syndroom. Voor andere indicaties wordt de terugbetaling verlaagd, waardoor het eigen aandeel van de patiënt stijgt. Statines blijven terugbetaald worden voor alle patiënten aan wie ze worden voorgeschreven, maar gaan van terugbetalingscategorie B naar categorie C, wat zich vertaalt in een lichte stijging van het eigen aandeel. Een volledige terugbetaling blijft echter gegarandeerd voor kinderen met familiale hypercholesterolemie, patiënten met heterozygote of homozygote familiale hypercholesterolemie, andere vormen van erfelijke dyslipidemie, en voor patiënten die een harttransplantatie hebben ondergaan.
Versnelde toegang tot innovatieve geneesmiddelen
Vanaf 2026 kunnen bepaalde innovatieve geneesmiddelen sneller worden terugbetaald, zelfs vóór hun goedkeuring door het Europees Geneesmiddelenbureau of het FAGG, in het kader van de Early and Equitable Fast Access-procedure (EEFA).
De ziekteverzekering zal op basis van een tijdelijke forfaitaire vergoeding tussenkomen, om vroegtijdige toegang tot veelbelovende behandelingen mogelijk te maken, met name wanneer er geen therapeutisch alternatief beschikbaar is. Geneesmiddelen die al een positieve aanbeveling hebben gekregen, kunnen ook sneller worden terugbetaald.
Vaccinatie: inwerkingtreding van Vaccicard
Vaccicard, het beveiligde elektronische vaccinatieboekje, treedt op 1 januari 2026 in werking in Wallonië en Brussel. De vaccinatiedata worden gecentraliseerd in een beveiligde digitale kluis. Vaccinatoren moeten de vaccinatiegegevens systematisch invoeren via Vaccicard of hun geïntegreerde software.
Er is een overgangsperiode van 12 maanden voorzien, met een geleidelijke integratie van bestaande gegevens en nieuwe actoren, waaronder ziekenhuizen en thuiszorg.
Maximumfactuurbedrag: betere bescherming voor patiënten
De maximumfactuur (MAF) wordt uitgebreid naar langdurige psychiatrische zorg. Tot nu toe hield deze bescherming op na 365 dagen psychiatrische ziekenhuisopname, in tegenstelling tot chronische lichamelijke aandoeningen. De geraamde kosten van de maatregel bedragen 1,6 miljoen euro voor 2026.
Bovendien zullen vanaf 1 januari 2026 alle terugbetaalbare geneesmiddelen worden meegenomen in de berekening van de MAF. Geneesmiddelen van de categorieën Cs (anti-allergische middelen) en Cx (anticonceptiva), die tot nu toe waren uitgesloten, zullen in het systeem worden opgenomen.
Ambulante zorg: uitbreiding van het verbod op honorariumtoeslagen
Het verbod op het aanrekenen van honorariumtoeslagen voor ambulante zorg wordt uitgebreid tot alle patiënten die een verhoogde vergoeding krijgen. Het betreft zorg die wordt verleend door een arts of tandarts buiten een ziekenhuisopname of dagopname.
De maatregel werd gedeeltelijk ingevoerd in 2025 en zal vanaf 2026 van toepassing zijn op alle patiënten die een verhoogde tussenkomst krijgen, ook op patiënten wier recht afhankelijk is van een inkomensplafond.
Arbeidsongeschiktheidsattesten: Mult-eMediatt verplicht
Vanaf 1 januari 2026 moeten huisartsen Mult-eMediatt gebruiken om arbeidsongeschiktheidsattesten van meer dan 14 dagen en verlengingen daarvan elektronisch door te geven aan de ziekenfondsen. Papieren attesten blijven mogelijk voor de werkgever en voor kortdurende arbeidsongeschiktheid.
Indexering van de honoraria
Vanaf 1 januari 2026 zullen de honoraria stijgen als gevolg van de nieuwe overeenkomst tussen artsen en ziekenfondsen. Een erkende huisarts zal dan 33,73 euro kunnen aanrekenen voor een consultatie en 48,57 euro voor een huisbezoek. Deze twee tarieven zijn het resultaat van een volledige indexering van 2,72%. Het globale medische dossier wordt ook geïndexeerd en bedraagt vanaf januari 38,82 euro.
Werk: versterkt beleid voor terugkeer naar het werk
Het beleid voor de terugkeer naar het werk van langdurig zieken wordt versterkt. Werkgevers zullen binnen de eerste zes maanden van arbeidsongeschiktheid een re-integratietraject moeten opstarten wanneer de werknemer potentieel heeft om te werken. Artsen mogen tijdens het eerste jaar geen arbeidsongeschiktheid van meer dan drie maanden voorschrijven.
Een deel van de financiering van de mutualiteiten zal gekoppeld zijn aan hun prestaties op het vlak van re-integratie. Werkgevers zullen een solidariteitsbijdrage moeten betalen die overeenkomt met 30% van de uitkering voor de tweede en derde maand van ziekte.
Bij ononderbroken arbeidsongeschiktheid van meer dan zes maanden kunnen de werkgever of de werknemer de overeenkomst opzeggen wegens medische overmacht, tegenover negen maanden voorheen. Bij een terugval na hervatting van het werk wordt het recht op het volledige gegarandeerde loon pas na acht weken effectieve hervatting hersteld.
Verzuim en andere maatregelen
Het aantal dagen verzuim zonder medisch attest wordt teruggebracht van drie naar twee per jaar, zonder dat deze dagen achtereenvolgend mogen worden opgenomen.
Ten slotte vervallen de vrijstellingen voor het dragen van de veiligheidsgordel die vóór 1 maart 2022 zijn afgegeven op 1 januari 2026. Er moet een nieuwe aanvraag worden ingediend, vergezeld van een medisch attest.








