Het RIZIV ontving tussen 1 januari en eind april 2026 via zijn nieuwe GAOCIT-databank 412.430 elektronische getuigschriften van huisartsen inzake arbeidsongeschiktheid. Ondervraagd op 17 juni in de Kamercommissie verklaarde Frank Vandenbroucke dat de eerste analyses momenteel lopen. Tegelijk benadrukte hij dat hij kiest voor een aanpak gebaseerd op kennisopbouw, zelfsturing en overleg, eerder dan op sancties.
De databank verzamelt elektronische getuigschriften die gericht zijn aan adviserend artsen voor arbeidsongeschiktheden van meer dan veertien dagen of voor verlengingen daarvan. Volgens de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid voert het RIZIV momenteel een kwantitatieve en kwalitatieve analyse van die getuigschriften uit. De eerste resultaten worden momenteel in kaart gebracht, maar een timing voor een voorstelling in het Parlement is nog niet vastgelegd.
Op een vraag van Ellen Samyn (VB), die zich verbaasde over het uitblijven van eerste bruikbare resultaten ondanks de 412.430 reeds geregistreerde getuigschriften, erkende Frank Vandenbroucke het belang van een later debat in het Parlement. “Ik ben daar altijd toe bereid, maar ik durf er vandaag geen datum op te zetten”, antwoordde hij.
Op dit moment worden geen financiële sancties opgelegd aan voorschrijvende artsen. “We hebben vandaag namelijk nog niet voldoende data om op een wetenschappelijk onderbouwde manier te bepalen wanneer een arts duidelijk of herhaaldelijk afwijkt van de norm”, verklaarde Frank Vandenbroucke. Een financiële responsabilisering van adviserend artsen is niet voorzien.
De minister plaatste de databank in het bredere overleg dat met huisartsen wordt gevoerd over hun rol bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. “Ik geloof absoluut niet in pure repressie of sancties”, verklaarde hij.
Frank Vandenbroucke herinnerde eraan dat samen met de huisartsenorganisaties een visietekst werd uitgewerkt. Hij verwees ook naar de aanbevelingen die huisartsen samen met wetenschappelijke experts hebben opgesteld over de manier waarop de impact van verschillende soorten pathologieën op arbeidsongeschiktheid moet worden ingeschat en hoe daarmee moet worden omgegaan. “Dat zijn eigenlijk niet eens richtlijnen, maar aanbevelingen”, verduidelijkte hij.
De minister benadrukte ook dat de databank moet bijdragen tot een beter inzicht in het traject van patiënten die arbeidsongeschikt zijn. Een van de doelstellingen bestaat er onder meer in te identificeren hoeveel verschillende behandelende artsen een sociaal verzekerde raadpleegt wanneer zijn arbeidsongeschiktheid leidt tot het voorschrijven van een periode van arbeidsongeschiktheid. Volgens hem moeten die gegevens bijdragen tot de ontwikkeling van instrumenten voor zelfsturing waarmee artsen hun voorschrijfgedrag kunnen vergelijken met wetenschappelijk onderbouwde standaarden en met dat van collega's die in dezelfde regio actief zijn.
De databank moet zo toelaten het voorschrijfgedrag beter in kaart te brengen en preventieve of remediërende maatregelen te ondersteunen op basis van de verzamelde gegevens.
“Ik geloof niet in repressie ten aanzien van huisartsen. Ik geloof ook niet dat we er zullen komen met financiële sancties”, benadrukte de minister nogmaals. Volgens hem stelt hij bij veel huisartsen, zeker bij de leiding van de huisartsenorganisaties waarmee overleg wordt gepleegd, “zeer veel goede wil” vast.








